
Terwijl het weer in Europa de afgelopen weken allerbelabberdst was, ging het er in Brussel erg heet aan toe. De Europese Unie heeft alle zeilen moeten bijzetten om de eurozone te redden. In de media heeft dit natuurlijk alle aandacht gekregen, daardoor is ander nieuws met een meer positieve lading aan de aandacht ontsnapt. Om te beginnen meldde milieucommissaris Janus Potocnik vorige week dat er 244 miljoen euro is toegekend voor natuurbehoud en milieu. Maar de klapper van de maand is toch wel de 7 miljard euro aan subsidies voor onderzoeksprojecten die de Ierse eurocommissaris Geoghegan –Quinn eind juli bekend maakte. De grootste subsidieronde ooit, aldus de commissaris verantwoordelijk voor innovatiebeleid. Maar liefst 1,3 miljard van dit bedrag is bestemd voor ICT projecten, waarvan een groot deel wordt gereserveerd voor de aanpak van de vergrijzing.
De aankondiging is nogal een gewaagde zet van de Europese Commissie. In een tijd dat alle lidstaten geconfronteerd worden met bezuinigingen, strooit de Commissie met geld van de belastingbetaler, zo lijkt het. De uitgave is volgens de Commissie echter verdedigbaar omdat het een essentiële investering is om de economische crisis in de toekomst het hoofd te bieden. Bovendien, zo stelt de Commissie, hebben ook de lidstaten hun investeringen in innovatie de afgelopen jaren op peil gehouden of verhoogd. Europa draagt daaraan haar steentje bij.
Zonder twijfel wil de Ierse commissaris hiermee ook een boodschap afgeven aan de Europese regeringsleiders die de komende tijd zullen onderhandelen over de nieuwe meerjarenbegroting van de Europese Unie. Onlangs legde de Europese Commissie haar voorstel op tafel voor deze onderhandelingen: een begroting van ruim duizend miljard euro voor de komende zeven jaar, enkele procenten boven het huidige plafond. De lidstaten buitelden direct over elkaar heen, allemaal riepen ze om het hardst dat een verhoging nu niet gepast is. Het startsein voor wat een uitputtende onderhandelingsstrijd zal worden. Aan het recent aangetreden Pools voorzitterschap de schone taak om deze strijd in goede banen te leiden.
Natuurlijk is de vraag hoeveel de EU de komende jaren uit mag geven en in welke mate de afzonderlijke lidstaten daaraan zullen bijdragen een relevante. Maar het is minstens zo belangrijk om ook aandacht te besteden aan de vraag waar dat geld aan besteed gaat worden. In Brussel woedt al jaren een felle discussie over de hoogte van de budgetten voor landbouwsteun en regionale fondsen, ten opzichte van de bedragen die worden besteed aan andere Europese prioriteiten, zoals onderzoek en ontwikkeling maar ook buitenlands beleid en justitie. Tot nu toe is deze strijd altijd gewonnen door de boeren en de arme regio’s, traditioneel gesteund door zowel een meerderheid van de lidstaten als de Commmissie.
Maar nu zou daar wel eens verandering in kunnen komen: de Europese Commissie heeft twee jaar geleden in haar economische strategie, Europa 20-20, een duidelijke keuze gemaakt voor meer en beter onderzoek en ontwikkeling ten bate van innovatie. Het stimuleren van innovatie is in de ogen van Commissievoorzitter Barroso de enige manier om de positie van Europa als economische grootmacht te behouden. En daar kan ze wel eens gelijk in hebben: in tegenstelling tot wat veel media doen geloven is de grootste bedreiging voor het Europese continent niet de spilzucht van de Grieken maar de vergrijzing. Zonder verandering ondersteunt een steeds kleinere arbeidspopulatie straks een steeds grote groep inactieve ouderen. Waarom investeren in de agrarische sector als er straks geen arbeidskrachten zijn om deze in stand te houden?
De Europese regeringsleiders hebben onlangs laten zien in staat te zijn over hun eigen schaduw heen te stappen door een krachtig akkoord te sluiten dat de stabiliteit van de euro voorlopig verzekert. De komende maanden zal duidelijk worden of ze dit kunstje nog eens kunnen flikken. Dat vereist wel een blik die verder kijkt dan de nu modieuze bezuinigingsdrift, naar een toekomst waarin nu al geïnvesteerd moet worden. En laten we hopen dat ook daar ICT de plek zal krijgen die het verdient: als motor van innovatie en als hulpmiddel voor meer efficiency en effectiviteit.

