
Zonder een visie op de staat geen visie op de Unie, en omgekeerd, concludeerde de Raad van State enige jaren geleden in één van haar adviezen over de relatie tussen Nederland en Europa. Op het gebied van de e-overheid moeten we deze conclusie ook zeer ter harte nemen.
Enerzijds merken we dat Europa steeds meer van invloed is op de inrichting van nationale processen en systemen. De impact van recent aangenomen EU-richtlijnen voor diensten (alle dienstverlening aan bedrijven digitaal) en Inspire (pan-Europese harmonistatie van geo-informatie) is hiervan het concrete bewijs.
Anderzijds is de coördinatie van de Nederlandse e-overheid niet optimaal. Het samenspel tussen departementen, uitvoeringsorganisaties, decentrale bestuurslagen en andere publieke sectoren is voor verbetering vatbaar. “Meer regie” is een vaak gehoorde wens van menig bestuurder en informatiemanager als het gaat om de e-overheid.
Als Nederland binnen Europa een rol van betekenis wil spelen als het gaat om de e-overheid, is diezelfde regie op nationale schaal een harde randvoorwaarde. Wie niet eens per land één geluid kan laten horen, verkeert binnen een Europa waar met 27 landen moet worden geconcurreerd in een verloren positie.
Nationale coördinatie van EU-beleid is volgens sommige deskundigen onmogelijk, onwenselijk, en bovendien kostbaar. Toch zou met een beperkt aantal maatregelen de awareness voor Europa bij de vormgevers van de e-overheid kunnen worden vergroot, met als gevolg meer compliance aan EU-beleid en meer leren van best-practices uit andere EU-landen.
Om de belangrijkste drie maatregelen te noemen:
Ook voor de e-overheid geldt dat Europa niet langer buitenlands beleid is, maar integraal onderdeel moet uitmaken van het nationale beleid. Het is daarom vast geen goed idee om in een volgend kabinet de coördinatie voor de e-overheid te beleggen bij het ministerie van Buitenlandse Zaken.