
Met de benieuwde ogen van de rest van het studiegezelschap op mij gericht begon ik aan mijn verhaal: de EU dringt door tot in de haarvaten van de Nederlandse overheidsorganisaties, 80% van de regelgeving vindt zijn oorsprong in Brussel, de Nederlandse belangen zijn groot (vooral economisch), maar onze invloed brokkelt af, de Nederlandse ambtenaar is weinig EU-bewust, laat staan EU-vaardig, bovendien denken we altijd het beste jongetje van de klas te zijn en leren we daardoor ook nog eens te weinig van andere landen. Kortom, Nederland is niet goed aangesloten op Europa.
De hoge ambtenaar keek mij meewarig aan. “Dat is toch allemaal bekend! En als je dit allemaal weet, dan ga je toch op pad naar Brussel of naar collega’s in andere landen om samen te werken of om informatie te vergaren? Daar heb ik toch geen aparte adviseur voor nodig?”
Het lek was boven. De ambtenaar bleek in haar eigen handelingsrepertoire Europa reeds een plaats te hebben gegeven. Zij vergeet echter dat een groot deel van de Nederlandse ambtenaren dit nog bij lange na niet heeft gedaan. Deze mensen beseffen (gelukkig) wel dat Europa belangrijk is (geworden), maar weten daar vanuit hun eigen handelingspraktijk geen handen en voeten aan te geven.
Bestuurskundig onderzoek (van ’t Hart e.a.) onder de titel the New Eurocrats (2008) bevestigt dat Europa nog weinig aanwezig is binnen de Nederlandse bureaucratie. Slechts 30% van de ambtenaren zegt te maken te krijgen met Europa (en dan zijn ze daar ook nog eens minder dan 2 uur per week mee bezig). Een recente verkenning van de WRR (Het gezicht van de publieke zaak: openbaar bestuur onder ogen, 2010) voegt daar een interessant beeld aan toe: de versnippering van het Nederlands openbaar bestuur betekent steeds meer dat overheidsorganisaties individueel hun weg in Europa (moeten) vinden. Dat betekent dat EU-professionalisering verplichte kost wordt voor bijna iedere overheidsorganisatie.
Mijn hoge ambtenaar weet al hoe het moet in Europa. Nu de rest nog.
Ga naar het blogoverzicht
