Vorige pagina | Print

De grote uittocht geeft antwoorden, maar niet voldoende

04/02/2011, drs. E.J.H.J. Janssen

Delen |

Het Verbond Sectorwerkgevers Overheid (VSO), de Samenwerkende Centrales van Overheidspersoneel (SCO) en het ministerie van BZK hebben in april 2010 De Grote Uittocht uitgebracht, een toekomstverkenning van de arbeidsmarkt van onderwijs en overheid. In vier scenario’s schetsen zij met welke ontwikkelingen we in het komende decennium rekening moeten houden.

Naar mijn mening geeft het rapport een adequaat beeld van de toekomst en worden enkele goede richtingen geschetst. Het rapport geeft antwoord op de vraag wat er moet gebeuren. Wat ontbreekt is het antwoord op de vraag hoe dat dan moet gebeuren.

Donkere dagen liggen in het verschiet

De aanleiding van de verkenning zijn sombere verwachtingen als gevolg van de vergrijzing en de recessie. De auteurs schetsen voor de komende tien jaar een beeld waarin in de overheids- en onderwijssectoren 3 op de 10 mensen met pensioen gaat – dat zijn ongeveer 275.000 mensen – en nog eens  4 op de 10 om andere redenen uit dienst treden. De verklaring voor deze grote uitstroom is te vinden in een zestal trends. Deze beschrijven onder andere demografische, sociale, financiële en organisatorische ontwikkelingen in de maatschappij en bij de overheid in het bijzonder. Vervolgens schetsen de auteurs vier mogelijke scenario’s. De variabelen hierbij zijn de economische groei en (hoog of stagnatie) en de vraag hoe maatschappelijke problemen worden opgelost (collectief en via de overheid of primair door burgers en bedrijven zelf). Tot slot schetsen de auteurs wat de overheid zou kunnen of moeten doen om  de kwaliteit van de publieke sector te waarborgen.

Het rapport schetst een aantal belangrijke ontwikkelingen …

Wat duidelijk in het rapport naar voren komt is een noodkreet; er moet wat gebeuren.
Het rapport is geschreven op basis van een onderzoek onder overheidspersoneel. Beleidsmakers en het publiek zouden daarom kunnen zeggen dat de conclusies overdreven zijn. Een kalkoen zal immers ook een vegetarisch kerstdiner voorstellen. Dit is echter te makkelijk.
De beroepsbevolking in Nederland gaat de komende jaren krimpen. In verschillende delen van het land is dat nu al aan de gang. De regio’s aan de randen van ons land vergrijzen en krimpen. Een krimpende en vergrijzende bevolking heeft een negatief effect op de arbeidsproductiviteit. De demografische ontwikkelingen zijn tamelijk nauwkeurig te voorspellen en de voorspellingen beloven niet veel goeds. Dit heeft daarmee ook een effect op het vervullen van de werkzaamheden in de publieke sector. Recent onderzoek wijst uit dat verschillende gemeenten nu al te kampen hebben met moeilijk vervulbare vacatures, zeker op het gebied van ICT. De overheid zal zich moeten beraden hoe deze tendens te keren.
De aanbevelingen die gedaan worden, geven een beeld van wat werkgevers- en werknemersorganisaties menen dat gedaan moet worden. De nadruk ligt op het verbeteren van de kwaliteit en aantrekkelijker maken van de overheid als werkgever door de werknemers meer te waarderen.

… maar mist op een aantal punten scherpte en een diepte.

De geschetste scenario’s worden geconstrueerd door twee onzekerheden te combineren, waarbij beide onzekerheden twee waarden kennen. De onzekerheden zijn:

  1. De economische ontwikkeling, met als waarden “stagnatie” en “groei”
  2. Visie op de overheid, solidariteit en profijt, met als waarden “zelf” versus “samen”

 

De kern van de variabele ‘economische ontwikkeling’ is dat een sterke economische groei een krapper wordende arbeidsmarkt impliceert. De overheid zal moeten concurreren met het bedrijfsleven om goede mensen aan te trekken en te behouden. Een zwakke groei of krimp zal betekenen dat de overheid druk op de budgetten zal ervaren.

Bij de ‘Visie op de overheid’ halen de auteurs naar mijn mening een aantal zaken door elkaar.

Het ene uiterste, “zelf”, wordt synoniem gesteld met een kleine overheid en weinig solidariteit. Het andere uiterste, “samen”, impliceert een grote overheid en het in stand houden van de verzorgingsstaat. Omvang en solidariteit hebben echter lang niet alles met elkaar te maken.

Solidariteit gaat voor een groot deel over inkomensoverdracht, het herverdelen van ons gezamenlijk inkomen en welvaart door belastingheffingen en uitkeringen en toeslagen. Dit heeft weinig tot niets te maken met de omvang van het ambtelijk apparaat; dat is een politieke keuze.

De omvang van de overheid, ook bij sceptici, is in veel gevallen niet zozeer het pijnpunt. Het pijnpunt is het (gepercipieerde) gebrek aan effectiviteit, efficiëntie en kwaliteit. Kritiek op de overheid is voor een groot deel het gevolg van onvrede; de roep om privatisering van de uitvoering van publieke taken is daar het gevolg van. Wanneer de overheid er in slaagt om dat wat ze doet snel en goedkoop te doen (heel efficiënt dus) dan zal er weinig behoefte zijn aan het uitbesteden aan de markt.

De oplossingen zijn beschreven van binnen uit

In het deel uitdagingen voor de toekomst worden thema’s genoemd om de dreiging van een tekort aan ambtenaren het hoofd te bieden. Deze thema’s zijn voor het overgrote deel geschreven van binnen naar buiten; hoe is het voor ambtenaren aantrekkelijker om ambtenaar te blijven. Onderwerpen als primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden en het beter organiseren van het werk zijn heel belangrijk. Ik mis echter een cruciaal onderdeel. De auteurs hebben verzuimd van buiten naar binnen te kijken. Waardering door de bevolking ontstaat niet door een ambtenaar meer salaris te geven. Waardering ontstaat door een ambtenaar belangrijk werk te laten doen. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden niet heel veel bij dragen aan de arbeidsvreugde. Zinvol werk uitvoeren draagt daar wel aan bij. Wanneer een overheidsdienaar trots is op z’n werk, zal hij het werk blijven doen. Het helpt dan niet als de politiek (in feite de “bazen” van de ambtenaren) elke verkiezing weer verkondigt dat het aantal ambtenaren best een pondje minder kan (alsof de ambtenaren niet gewoon het werk uitvoeren voortvloeiend uit de soms onnodig ingewikkelde wetten door de vele amendementen en vragen uit de Kamer zelf). Dat de werkzaamheden op een efficiënte wijze moeten worden uitgevoerd, dat spreekt voor zich.

Burgers klagen veel over de werkwijze van de overheid. Het aanvragen van een bouwvergunning  wordt ervaren als ambtelijk gedoe, zeker als het maanden duurt. Maar er is ook een steeds grotere roep om overheidsingrijpen.  Een groot deel van de bevolking vindt dat de overheid zich niet terug mag trekken. Door de bankencrisis vindt men dat het toezicht op de financiële sector omhoog moet en een afgebroken balkon in Maastricht verhoogt  de roep om een beter vergunning- en handhavingproces. En ineens blijkt een bouwvergunning dus toch wel belangrijk. Heldere communicatie over wat het ambtenarenapparaat doet en waarom procedures soms wat langer duren, zal het begrip van de burger verhogen en daarmee ook de waardering voor de ambtenaar.

‘Wat’ moet gebeuren is enigszins beschreven, maar ‘hoe’ dan?

De kern van wat er moet gebeuren is zorgen dat overheidsdienaren trots zijn op hun werk. Een belangrijke ingrediënt hiervoor is waardering door de bevolking. De ambtenaar moet het eigen werk op een efficiënte wijze uit kunnen voeren. De vraag wie publieke taken uitvoert, de markt of de overheid, is hiervoor minder relevant.
En hoe moet dat dan? Het is aan de politiek om keuzes te maken welke taken de overheid uitvoert en welke niet. Jaren geleden heeft de overheid “vbtb” ingevoerd:  van beleidsbegroting tot beleidsverantwoording. Volgens dit principe moet de focus liggen op dat wat is bereikt en pas daarna op wat het heeft gekost. Binnen dit adagium is een roep om bezuiniging niet correct. Het streven naar bezuinigingen is niet erg, maar een bezuiniging is geen doel, het is niet eens een middel, het is een gevolg! Het doel is het zo efficiënt mogelijk uitvoeren van de overheidstaken. Het middel is het aanpassen van processen en het herbeleggen van taken zodanig dat het ook optimaal efficiënt gebeurt. Het gevolg is dan dat het met minder mensen kan. En dat komt mooi uit, want in de toekomst zijn er minder mensen.

Bij deze daarom een beroep op onze politieke leiders om keuzes te maken wat de overheid wel doet en wat niet en met welke kwaliteit. Het is vervolgens aan de ambtelijke top om deze ambitie te realiseren; optimaal efficiënt, dus met zo min mogelijk middelen. De politiek moet de vinger wel aan de pols houden en afwegingen maken tussen kwaliteit, tijd en de inzet van middelen. En wie helpt de politici daarbij? Niet de ambtenaar zelf, de slager keurt zijn eigen vlees immers ook niet. Het toetsen van de plannen moet gebeuren door een onafhankelijke partij; en dan niet alleen de plannen (want die zullen ongetwijfeld heel mooi zijn), maar ook de realisatie.
Nog één tip aan de politiek en de ambtelijke top: “Betrek ook de jeugd bij de plannen. De jeugd heeft de toekomst; laat haar dan ook een rol spelen bij het vormen van die toekomst!” Jonge mensen zijn inventief en creatief. Door het instellen  van een ‘jeugdparlement’ kan het echte parlement een spiegel voor zichzelf creëren. Zo’n spiegel hoeft niet te bestaan uit 150 jongelieden die in een kamer zitten. Door virtuele groepen te (laten) formeren voor bepaalde thema’s kan een veel grotere populatie worden bereikt. Via social media kunnen jongeren elkaar vinden en gezamenlijk meningen vormen en beslissingen nemen, maar nu vul ik al in voor de jeugd: dat kunnen ze best zelf!

Ga naar het publicatieoverzicht


Volg @PBLQ op Twitter!